Quantcast

OSHO Times Emotional Ecology Leven Zonder Angst

Leven Zonder Angst

Ik voel een pantser om me heen dat me verhindert dichter bij mensen te komen. Ik weet niet waar het vandaan komt. Hoe kan het wegsmelten?

Iedereen heeft zo’n soort harnas.

Daar zijn redenen voor. Om te beginnen is een kind zo uiterst hulpeloos geboren in een wereld waar hij niets van weet. Natuurlijk is hij bang voor het onbekende dat hij onder ogen moet zien. Hij is die negen maanden van absolute zekerheid en veiligheid nog niet vergeten, toen er geen enkel probleem was, geen verantwoordelijkheid en geen zorgen voor de dag van morgen.

Voor ons zijn het negen maanden, maar voor het kind is het de eeuwigheid. Hij weet niets van een kalender; hij kent geen minuten, uren, dagen of maanden. Hij heeft een eeuwigheid in absolute veiligheid en zekerheid geleefd, zonder enige verantwoordelijkheid en dan wordt hij plotseling in een wereld gegooid, waar hij voor alles afhankelijk is van anderen. Het is natuurlijk dat hij bang is. Iedereen is groter en sterker en hij kan niet leven zonder de hulp van anderen. Hij weet dat hij afhankelijk is; hij is zijn onafhankelijkheid en z’n vrijheid kwijt. Kleine gebeurtenissen zullen hem een voorproefje geven van de werkelijkheid die hij in de toekomst zal tegenkomen.

Napoleon Bonaparte werd verslagen door Nelson, maar eigenlijk zou deze verdienste niet op Nelson moeten worden geschoven. Napoleon Bonaparte was verslagen door een klein incident in z’n kindertijd. Nu kijkt de geschiedenis niet op deze manier naar zulke zaken, maar voor mij is het overduidelijk.

Toen hij pas zes maanden oud was, sprong een wilde kat op hem. De vrouwelijke bediende die voor hem zorgde was even iets aan het doen in het huis; hij lag in de tuin in de ochtendzon en de frisse lucht en de wilde kat besprong hem. Het deed hem geen pijn – hij was misschien speels – maar naar het idee van het kind leek het als de dood. Sinds die tijd was hij niet bang voor tijgers of leeuwen; hij had zonder angst met een leeuw kunnen vechten zonder wapen. Maar een kat? Dat was een andere zaak. Hij was totaal hulpeloos. Als hij een kat zag was hij bijna bevroren; hij werd opnieuw het zes maanden oude kind, zonder verdediging, zonder mogelijkheden om te vechten. In die kleine kinderogen moet de kat heel groot hebben geleken; het was een wilde kat. Misschien heeft de kat het kind in de ogen gekeken.

Iets in zijn psyche was zo onder de indruk van het incident, dat Nelson het uitbuitte. Nelson was niet te vergelijken met Napoleon, en Napoleon was in zijn leven nog nooit verslagen; dit was zijn eerste en laatste nederlaag. Hij zou niet verslagen zijn, maar Nelson had zeven katten meegebracht naar het front van het leger.

Op het moment dat Napoleon die zeven katten zag, stopte zijn verstand. Zijn generaals konden niet begrijpen wat er gebeurde. Hij was niet langer dezelfde grote krijger; hij stond stijf van angst, en beefde. Hij had nooit toegestaan dat iemand van zijn generaals het leger zou leiden, maar vandaag zei hij, met tranen in z’n ogen, “Ik ben niet in staat om te denken – jij leidt het leger. Ik zal hier zijn, maar ik ben niet in staat om te vechten. Er is iets mis gegaan met mij.”

Hij werd verwijderd, maar zonder Napoleon was zijn leger niet in staat om tegen Nelson te vechten, en toen men de situatie zag van Napoleon, werd iedereen in zijn leger een beetje bang: er gebeurde iets heel vreemds.

Een kind is zwak, kwetsbaar en onzeker. Automatisch begint hij een pantser te creëren, een bescherming, op verschillende manieren. Bijvoorbeeld, hij moet alleen slapen. Het is donker en hij is bang, maar hij heeft z’n teddybeer en denkt dat hij niet alleen is; zijn vriend is bij hem. Je ziet kinderen die hun knuffels meeslepen naar luchthavens, naar treinstations. Denk je dat het maar een speeltje is? Dat is het voor jou, maar voor het kind is het een vriend. En een vriend als niemand anders hem helpt – in het donker van de nacht, alleen in bed, is hij nog bij hem. Hij zal psychologische teddyberen creëren.

Men moet zich realiseren, dat hoewel een volwassen man misschien denkt dat hij geen teddyberen heeft, dat hij het mis heeft. Wat is God? Slechts een teddybeer. Vanuit de angst van de kindertijd, heeft de mens een vaderfiguur gecreëerd, die alles weet, die almachtig is, alomtegenwoordig; als je echt in hem geloofd zal hij je beschermen. Maar juist het idee van bescherming, het idee dat een beschermer nodig is, is kinderlijk. Dan leer je hoe je moet bidden; dat zijn juist delen van je psychologische pantser. Bidden is er om God er aan te herinneren dat jij hier bent, alleen in de nacht.

In mijn kindertijd verbaasde ik me over…. Ik hield van de rivier, die heel dicht bij was, slechts twee minuten lopen van mijn huis. Honderden mensen namen daar een bad en ik vroeg me altijd af… In de zomer als ze zich onderdompelen in de rivier roepen ze niet de naam van God aan. Meestal zal hij psychologische teddyberen creëren “Hara Krishna, Hara Rama”. Nu zal hij geen psychologische teddyberen creëren. Maar in de koude winter herhalen ze, “Hara Krishna, Hara Rama”. Ze gaan snel even in het water, roepend, “Hara Krishna, Hara Rama”.

Ik vroeg me af, of het seizoen een verschil maakt? Ik vroeg mijn ouders, “Als dit aanbidders van “Hara Krishna, Hara Rama” zijn, is de zomer toch net zo goed als de winter?”

Maar ik denk niet dat het God is, of het gebed, of de religie; het is gewoon de kou! Ze creëren een harnas met “Hara Krishna, Hara Rama”. Ze leiden hun gedachten af. Het is te koud en afleiding is nodig – en het helpt. In de zomer is het niet nodig; ze zijn helemaal vergeten wat ze de hele winter hebben gedaan.

Onze gebeden, onze gezangen, onze mantras, onze geschriften, onze goden, onze priesters, zijn allemaal deel van ons psychologisch pantser. Het is erg subtiel. Een Christen gelooft dat hij zal worden gered en niemand anders. Dat is dus zijn beschermende mechanisme. Iedereen zal naar de hel gaan behalve hij, want hij is een Christen. Maar in elke godsdienst gelooft men hetzelfde, dat alleen zij zullen worden gered.

Het is geen kwestie van godsdienst. Het is een kwestie van angst en gered worden van angst, dus eigenlijk is het natuurlijk. Maar op een bepaald punt in je volwassenheid, eist de intelligentie dat het losgelaten moet worden. Het was goed toen je een kind was, maar op een dag moet je je teddybeer laten gaan, net zoals je op een dag je God moet loslaten, net zoals je op een dag je Christendom, je Hindoeisme moet loslaten. Uiteindelijk, als je al je pantsers hebt afgelegd, betekent dit dat je gestopt bent te leven vanuit angst.

En wat voor leven is het dat je leeft vanuit angst? Als je pantsers zijn weggevallen kun je leven vanuit liefde, kun je op een volwassen manier leven. De geheel volwassen man heeft geen angst, geen verdediging; hij is psychisch helemaal open en kwetsbaar.

Op een bepaald moment is het pantser misschien nodig… misschien is dat zo. Maar als je groeit, als je niet alleen ouder wordt, maar ook opgroeit, groeit in volwassenheid, zul je gaan zien wat je met je mee draagt. Waarom geloof je in God? Op een dag moet je voor jezelf inzien dat je God nooit gezien hebt, dat je nooit contact met God gehad hebt, en dat het geloof in God een leugen is: je meent het niet.

Wat voor godsdienst kan er zijn als er geen ernst is, geen authenticiteit? Je kunt niet eens redenen aangeven voor je geloof en toch blijf je je er aan vastklampen.

Kijk goed en je zult de angst er achter ontdekken.

Een volwassen persoon zou zich moeten losmaken van alles wat verbonden is met angst. Zo komt de volwassenheid.

Kijk eens naar al je daden, al je geloven, en probeer uit te vinden of ze gebaseerd zijn op werkelijkheid, op ervaring, of gebaseerd op angst. En alles wat gebaseerd is op angst moet meteen losgelaten worden, zonder een seconde na te denken. Het is je pantser. Ik kan het niet omsmelten. Ik kan je alleen laten zien hoe je het kunt afleggen.

We blijven leven vanuit angst – zo blijven we alle andere ervaringen vergiftigen. We houden van iemand, maar vanuit angst: het bederft het, vergiftigt het. We zoeken de waarheid, maar als het uit angst is, zul je hem nooit vinden.

Wat je ook doet, onthoud het volgende: Vanuit angst kun je niet groeien. Je zult slechts wegkwijnen en sterven. Angst is in dienst van de dood.

Mahavira heeft gelijk: hij maakt onbevreesdheid het fundament voor een persoon zonder angst. En ik kan begrijpen wat hij bedoelt met onbevreesdheid. Hij bedoelt het pantser afleggen. Een persoon zonder vrees krijgt alles wat het leven je wil geven als een geschenk. Dan is er geen hindernis. Je zult overladen worden met geschenken, en wat je ook doet, je zult de kracht er voor hebben, een sterkte, een zekerheid, een enorm gevoel van autoriteit.

Een man die vanuit angst leeft zal altijd beven van binnen. Hij is voortdurend op de grens van gek worden, want het leven is groot en als je voortdurend bang bent….en er zijn zoveel soorten angst. Je kunt een lange lijst maken en je zult verbaasd zijn hoeveel angsten er zijn – maar je bent er nog! Er zijn infecties om je heen, ziekten, gevaren, kidnapping, terroristen…. En zo’n klein leven. En aan het eind is er de dood, die je niet kunt vermijden. Je hele leven wordt donker.

Laat de angst los! De angst was onbewust door jou aangenomen in je kindertijd; laat het nu bewust los en wees volwassen. En dan kan het leven een licht worden dat steeds dieper wordt terwijl je groeit.

Osho, Beyond Psychology